Er bestaat in Nederland grote onduidelijkheid over effectieve aanpak van pesten door scholen. Tientallen programma’s proberen pesten op scholen terug te dringen, maar of dit lukt is in de meeste gevallen niet getoetst. Het is dus van evident maatschappelijk belang na te gaan in hoeverre programma’s tegen pesten in de Nederlandse onderwijspraktijk nu echt pesten en gepest worden verminderen. Onderzoeksproject "Wat werkt tegen pesten" beoogde van tien volgens de onafhankelijke Commissie Antipestprogramma’s (Wienke, 2014) kansrijke programma’s tegen pesten op school na te gaan welke effecten zij hebben op pesten en gepest worden binnen één schooljaar.
Doel van dit onderzoeksproject was de effecten van deze tien veelbelovende antipestprogramma’s op pesten en gepest worden binnen één schooljaar te toetsen in de Nederlandse onderwijspraktijk, volgens de meest rigoureuze wetenschappelijke standaarden, en met inbegrip van moderatie door ernst van pesten, ernst van problemen in de klas en programma-integriteit. Bijkomend doel was het opzetten van een infrastructuur voor scholen en onderzoek om efficiënt en laagdrempelig ontwikkeling van pesten en pestrollen te kunnen volgen en de effectiviteit van anti-pestprogramma’s te kunnen toetsen.
De belangrijkste resultaten van dit onderzoeksproject zijn:
1) Leerlingen worden meer gepest dan zij aan leerkrachten en ouders vertellen. Bijna een derde van de leerlingen in het primair onderwijs wordt wel eens gepest op school. Ongeveer 1 op de 14 kinderen wordt meerdere keren per week gepest. Een derde van deze kinderen geeft aan dit aan niemand verteld te hebben, terwijl 79% van deze kinderen al meerdere schooljaren wordt gepest. De mate waarin kinderen op school gepest worden verschilt sterk tussen klassen en scholen. In 7.4% van de klassen wordt geen enkele leerling regelmatig gepest, terwijl in 15,6% van de klassen een kwart of meer van de leerlingen regelmatig gepest wordt.
2) Pesten blijkt in het primair onderwijs binnen een schooljaar te kunnen worden verminderd met specifiek op pesten gerichte programma’s. Enkele van de onderzochte programma’s verminderen aspecten van pesten of gedragsproblemen in de klas. Geen van de programma’s heeft echter effect op alle uitkomstmaten tegelijk. Vooral de specifiek op pesten gerichte universele programma’s PRIMA, in eerder onderzoek KiVa (Veenstra, 2015) en, voor jonge kinderen, Taakspel zijn binnen een jaar effectief tegen aspecten van pesten. De Kanjertraining heeft geen aantoonbaar effect op pesten in het algemeen, maar lijkt op basis van huidig en eerder onderzoek (Vliek, 2015) een effect te kunnen hebben in klassen met veel conflicten, met name wanneer het wordt gegeven door een externe psycholoog. Het specifiek op individuele kinderen met ernstiger gedragsproblemen gerichte selectieve programma Alles Kidzzz vermindert gedragsproblemen volgens de leerkracht sterk.
3) Universele programma’s worden beperkt uitgevoerd. Van de meeste programma’s wordt slechts een deel van de onderdelen daadwerkelijk gegeven. De beperkte uitvoering is opvallend omdat scholen zelf gekozen hebben voor invoering van het programma waar zij mee werken. Deze resultaten hebben naar onze mening betekenis voor onderwijs en onderzoek:
4) Pesten verminderen kan. Nu het mogelijk blijkt om pesten in het primair onderwijs binnen een jaar te verminderen, dient hierop naar onze mening breed te worden ingezet. De huidige resultaten zijn daartoe slechts een eerste stap. Nu we weten dat pesten verminderd kan worden is meer kennis nodig om de bescheiden effecten van programma’s te vergroten en te bestendigen.
5) Monitoring van de mate waarin kinderen zelf ervaren dat zij en hun klasgenoten gepest worden is essentieel, om een passende aanpak te kiezen en om systematisch te kunnen nagaan of een gekozen aanpak daadwerkelijk tot vermindering van pesten leidt.
6) Pesten op het voortgezet en speciaal onderwijs is een groot onopgelost probleem, waarvoor in het huidige onderzoek en internationaal wetenschappelijk onderzoek nog geen effectieve remedie is gevonden. In het voortgezet onderwijs is het tegengaan van pesten complexer door de grotere schaal van scholen, de voortdurende wisseling van leerkrachten voor de klas, de bijzondere gevoeligheid van adolescenten voor evaluatie door leeftijdgenoten, en de mate waarin pesten via sociale media buiten bereik van leerkrachten plaatsvindt. Pesten verminderen kan worden bemoeilijkt door de organisatorische context. De focus van het huidige project lag op effecten van programma’s, maar al doende bleek duidelijk hoe bepalend de context waarin programma’s worden uitgevoerd kan zijn.
7) De mate van uitvoering van de universele programma’s was veelal beperkt, waarbij uitvoering veelal bepaald lijkt te worden door werkdruk, motivatie en ruimte van individuele leerkrachten om programma’s daadwerkelijk uit te voeren. De huidige organisatie van de zorg voor jeugd belemmerde in ons onderzoek in een aantal gemeenten selectieve programma’s waarbij intensief met enkele individuele leerlingen wordt gewerkt. De verantwoordelijkheden voor deze extra investering in specifieke leerlingen lijken door de combinatie van de invoering van passend onderwijs en de wet op de zorg voor jeugd dusdanig verdeeld dat ze moeilijk van de grond komt.
8) Welke werkzame elementen (in of buiten een programma) pesten beïnvloeden is nog onvoldoende duidelijk, doordat ‘programma’s’ de eenheid van analyse voor het huidige onderzoeksproject waren. Interventie programma’s zijn in wezen bundelingen van elementen die samen werkzaam moeten zijn tegen pesten. Dat zijn deels eenvoudig te protocolleren oefeningen en lessen, maar ook subtielere gedragingen van leerkrachten en veranderingen in organisatie en schoolcultuur. Vaardigheden, gedragingen, kennis, attitudes van leerkrachten en hun alliantie met leerlingen zijn van grote invloed op sociale relaties (en leerprestaties) in de klas.