Abstract
Deze bijdrage stelt vast of de mededingingsverplichting uit de Didam- arresten voldoende gelegitimeerd is. Om deze vraag te beantwoorden, verduidelijkt de bijdrage eerst de begrippen ‘mededingingsverplichting’ uit de Didam- arresten en ‘legitimiteit’ op basis van literatuur (par. 2). Voor wat betreft legitimiteit volgt de bijdrage de definitie van Bokhorst. Die definitie kent vier dimensies: een juridische, een politieke, een ethische en een maatschappelijke. Daarna geeft de bijdrage aan hoe auteur de Didam- arresten gaat beoordelen op basis van deze vier dimensies om de mate van legitimiteit van de mededingingsverplichting vast te stellen. De daadwerkelijke beoordeling is uitgevoerd in een volgende paragraaf, waarna de bijdrage afsluit met een beantwoording van de onderzoeksvraag in de conclusie.
De bevindingen op de vier dimensies van legitimiteit samengetrokken leiden tot de slotconclusie dat de legitimiteit van de mededingingsverplichting nog onvoldoende is geborgd. De juridische en politieke dimensies – beide formeel en noodzakelijk in een democratische rechtsorde – blijven onduidelijk. De ethische dimensie blijft voor meer interpretaties vatbaar en vraagt om explicitering. De maatschappelijke dimensie toont slechts een voorlopige en voorwaardelijke aanwijzing van aanvaarding door overheidslichamen. Om de legitimiteit van de mededingingsverplichting in onze democratische rechtsorde te versterken, is een wetgever nodig die de verplichting codificeert en daarbij recht doet aan alle vier de dimensies. Blijft wetgeving uit, dan ligt het op de weg van de Hoge Raad om in een volgend arrest alsnog een diepe motivering te geven langs deze vier dimensies en de wetgever tot een reactie te verleiden.
De bevindingen op de vier dimensies van legitimiteit samengetrokken leiden tot de slotconclusie dat de legitimiteit van de mededingingsverplichting nog onvoldoende is geborgd. De juridische en politieke dimensies – beide formeel en noodzakelijk in een democratische rechtsorde – blijven onduidelijk. De ethische dimensie blijft voor meer interpretaties vatbaar en vraagt om explicitering. De maatschappelijke dimensie toont slechts een voorlopige en voorwaardelijke aanwijzing van aanvaarding door overheidslichamen. Om de legitimiteit van de mededingingsverplichting in onze democratische rechtsorde te versterken, is een wetgever nodig die de verplichting codificeert en daarbij recht doet aan alle vier de dimensies. Blijft wetgeving uit, dan ligt het op de weg van de Hoge Raad om in een volgend arrest alsnog een diepe motivering te geven langs deze vier dimensies en de wetgever tot een reactie te verleiden.
| Original language | Dutch |
|---|---|
| Article number | NTB 2025/256 |
| Pages (from-to) | 362-373 |
| Number of pages | 12 |
| Journal | Nederlands Tijdschrift voor Bestuursrecht |
| Volume | 2025 |
| Issue number | 7 |
| Early online date | 13 Aug 2025 |
| Publication status | Published - Sept 2025 |
Cite this
- APA
- Author
- BIBTEX
- Harvard
- Standard
- RIS
- Vancouver