Skip to main navigation Skip to search Skip to main content

Discourse Modes and Bases: A Study of the Use of Tenses in Vergil's Aeneid

  • S.M. Adema

Research output: PhD Thesis › PhD-Thesis - Research and graduation internal

4126 Downloads (Pure)

Abstract

Samenvatting
Discourse modes en bases, het gebruik der tempora in Vergilius’ Aeneis

Dit proefschrift beschrijft het tijdgebruik in de Aeneis van Vergilius. Alle tijden van het Latijnse tijdensysteem worden besproken: het praesens, het perfectum, het imperfectum, het plusquamperfectum en het futurum en futurum exactum. Ook komt de infinitivus historicus aan bod. Elk van deze tijden kan op verschillende manieren geïnterpreteerd worden, waarbij alle interpretaties in overeenstemming zijn met de semantische waarde van de betreffende tijd. Een praesens kan bijvoorbeeld geïnterpreteerd worden als gelijktijdig aan het heden van de verteller, of als gelijktijdig aan het heden van het verhaal, de referentietijd (reference time). Beide interpretaties zijn in overeenstemming met de semantische waarde van het praesens: gelijktijdigheid met de communicatieve situatie.
De verschillende interpretaties van een bepaalde tijd staan niet op zichzelf, maar hangen samen met interpretaties van andere werkwoordsvormen in de context. De samenhang in de interpretaties van tijden in een passage kan worden beschreven aan de hand van twee parameters.
De eerste parameter is de presentatiewijze, waarvoor in dit boek de technische term discourse mode gebruikt wordt. Onder discourse mode versta ik de verschillende manieren van presenteren die een verteller tot zijn beschikking heeft. Binnen een verhalende tekst gebruikt de verteller meestal meerdere discourse modes, zoals de narrative mode (narratie), de description mode (beschrijving) en de report mode (een rapporterende, becommentariërende mode).
De tweede parameter is de base. De base is het temporele nulpunt dat de verteller in gedachte heeft. Het is het punt dat hij kiest als zijn ‘hier en nu’. In de Aeneis wordt het moment van vertellen gebruikt als base, maar vaak is ook het heden van het verhaal, de referentietijd, de base. Elk van de bovengenoemde discourse modes wordt gebruikt vanuit deze twee bases en we kunnen dus acht manieren van presenteren onderscheiden: de ‘gewone’ variant van de discourse mode en de discourse mode gebruikt vanuit een base in de referentietijd.
Het raamwerk van discourse modes en bases is niet alleen nuttig om het tijdgebruik in de Aeneis te beschrijven. Het is namelijk ook een alternatief voor de traditionele indeling van (narratieve) teksten in ‘voorgrond’ en ‘achtergrond’. Een beschrijving van het gebruik van de discourse modes in een bepaalde tekst geeft een specifieker beeld van de structuur van die tekst dan een indeling in voor- en achtergrond, vooral omdat de ‘achtergrond’ in een tekst meestal heel verschillende typen achtergrond behelst (bijvoorbeeld ‘commentaar’, ‘informatie’ of ‘achtergrondbeschrijving’).
Het raamwerk van discourse modes en bases is tevens een manier om de structuur van teksten te vergelijken. De discourse modes zijn namelijk niet specifiek voor de Aeneis, maar komen ook in andere teksten voor. In dit boek gebruik ik een deel van het werk van de geschiedschrijver Livius ter vergelijking en bespreek ik de verschillen in de manier waarop de discourse modes gebruikt worden. Zo bekeken is het raamwerk van discourse modes en bases een middel om verschillen in genre en verschillen in voorkeuren van bepaalde auteurs systematisch te beschrijven.

De parameter discourse mode en de parameter base worden in hoofdstuk 1 geïntroduceerd en uitgelegd. Als eerste worden de modes die voorkomen in de Aeneis behandeld. Deze modes zijn de narrative mode, waarin de verteller daadwerkelijk ‘vertelt’, de description mode, waarin de verteller de zichtbare kenmerken van (een deel van) de wereld van het verhaal beschrijft, de report mode, waarin de verteller de standen van zaken in directe relatie tot zijn eigen standpunt in de tijd presenteert (en bijvoorbeeld commentaar geeft) en de registering mode, waarin de verteller weergeeft wat hij ervaart en registreert in zijn directe omgeving.
De narrative mode, de description mode, de report mode en de registering mode zijn de modes die ik in de Aeneis heb aangetroffen. Deze modes zijn een parameter om interpretaties van verschillende tijden met elkaar in verband te brengen. De discourse modes zijn echter nog niet voldoende om alle interpretaties van de tijden systematisch te beschrijven. Deze interpretaties moeten namelijk niet alleen naar mode geclusterd worden, maar ook naar base.
De base is dat moment dat de verteller als zijn ‘nu’ gekozen heeft. In één tekst kunnen meerdere bases gebruikt worden. Het praesens, bijvoorbeeld, kan gebruikt worden vanuit een base in de tijd van vertellen en wordt dan geïnterpreteerd als een ‘echt’ praesens. Het ‘praesens historicum’ daarentegen is een gebruik van het praesens dat een base heeft in het heden van het verhaal, de referentietijd.
De meeste tijden in de Aeneis worden gebruikt vanuit een base in het moment van vertellen en vanuit een base in de referentietijd, en ook alle modes worden gebruikt vanuit beide bases. Als een mode gebruikt wordt vanuit de referentietijd, spreek ik van transposed modes, omdat de verteller zichzelf, als het ware, verplaatst heeft naar de tijd van het verhaal en de mode van daaruit gebruikt.
De registering mode vanuit een base in referentietijd krijgt in hoofdstuk 1 speciale aandacht: deze mode wordt zo vaak en op zo’n specifieke manier gebruikt in de Aeneis dat voor deze transposed registering mode een aparte naam is, de directing mode. Typerend voor deze mode is een verschuivende base. De base ligt in deze mode in de referentietijd en die verschuift naarmate het verhaal vordert. Zo schuift ook de base telkens op. In de directing mode presenteert de verteller de gebeurtenissen en situaties alsof ze plaatsvinden op een podium waarop hij de baas is. Aan de ene kant lijkt het dus alsof het verhaal zich voor zijn ogen ontrolt, maar aan de andere kant blijkt keer op keer dat de verteller de touwtjes in handen heeft en weet wat er komen gaat.
Een tekst wordt niet in één en dezelfde discourse mode gepresenteerd, maar bevat meestal meerdere modes en bases. Zoals gezegd, is dit ook in de Aeneis het geval. Aan het eind van hoofdstuk 1 leg ik uit dat veranderingen in discourse mode en base in de Aeneis plaatsvinden op ‘logische’ punten in de tekst, bijvoorbeeld bij een verandering van discourse topic, plaats of tijd. Een aaneengesloten stuk tekst dat dezelfde mode en base heeft, noem ik een sequence (passage). Er start dus een nieuwe sequence wanneer de discourse mode of de base verandert. Voor dit boek heb ik de hele Aeneis opgedeeld in zulke sequences.
Na het eerste inleidende hoofdstuk zijn hoofdstuk 2 tot en met 7 gewijd aan de verschillende interpretaties van één tijd. Hoofdstuk 2 behandelt de verschillende interpretaties van het praesens in de Aeneis. Al deze interpretaties hangen samen met de semantische waarde van deze tijd, gelijktijdigheid met de base. In sommige gevallen van het praesens in de Aeneis ligt de base in de tijd van vertellen en hangt de interpretatie dus samen met het gebruik van de report mode of de registering mode.
Een interpretatie van het praesens die in de Aeneis echter veel vaker moet worden aangenomen is gelijktijdigheid aan de referentietijd. In §2.3 laat ik zien dat ook deze interpretatie van het praesens in overeenstemming is met zijn semantische waarde: het praesens geeft aan dat een stand van zaken gelijktijdig is aan de base, en als de base in referentietijd ligt, is de stand van zaken in het praesens dus gelijktijdig aan referentietijd. Binnen deze grote groep praesentia die gelijktijdigheid met referentietijd aanduiden, moet nog gedifferentieerd worden naar verschillende discourse modes: de directing mode, transposed report en transposed description. Het gebruik van het praesens in deze modes komt in de reset van hoofdstuk 2 aan bod (§2.4 – §2.8).
Hoofdstuk 3 handelt over het perfectum. In grammatica’s en in commentaren op de Aeneis worden verschillende interpretaties van deze tijd onderscheiden. In dit hoofdstuk beargumenteer ik dat al deze interpretaties van het perfectum samenhangen met de semantische waarde van deze tijd: een perfectum drukt altijd uit dat een stand van zaken voortijdig is aan de base.
De verschillen in interpretaties hangen samen met de gebruikte discourse mode en base. Een perfectum wordt als zogenaamd ‘narratief perfectum’ geïnterpreteerd als de narrative mode gebruikt is: in deze setting duidt het perfectum één gebeurtenis te midden van meerdere gebeurtenissen aan. Deze gebeurtenissen zijn allemaal voortijdig aan de base en zo valt deze interpretatie van het perfectum binnen zijn semantische waarde. In de report mode is geen sprake van een serie gebeurtenissen. Het perfectum drukt in de report mode slechts voortijdigheid uit aan de base, niets meer. Andere modes waarin het perfectum regelmatig voorkomt zijn de directing mode en de transposed report mode. Ook in de transposed description mode vinden we enkele gevallen van het perfectum. In deze mode beschrijft het perfectum steeds een stand van zaken die voortijdig is aan de referentietijd.
Aan het eind van hoofdstuk 3 besteed ik aandacht aan twee opmerkelijke observaties die ik in commentaren en artikelen over de Aeneis heb aangetroffen. De eerste observatie is dat het perfectum vaak wordt gebruikt aan het eind van directe rede. De tweede observatie is dat het perfectum vaak wordt gebruikt om acties van goden te beschrijven. Volgens mijn gegevens kloppen deze observaties, maar ik zou deze perfecta wel graag nog naar discourse mode en base willen uitsplitsen. De verschillende discourse modes leveren interessante inzichten op met betrekking tot het gebruik van het perfectum in deze specifieke omgevingen. Zo wordt het perfectum aan het eind van directe rede relatief vaak gebruikt om in de directing mode de stand van zaken als ‘nu’ afgerond te presenteren. Acties van goden die in het perfectum gepresenteerd worden, zijn meestal acties die al eerder hebben plaats gevonden, vóór de referentietijd, maar nog niet verteld zijn en nu moeten worden ‘ingehaald’. Ook wordt in deze omgeving de narrative mode relatief vaak gebruikt, wellicht om deze wonderlijke scènes met wat meer afstand en autoriteit te presenteren en zo de geloofwaardigheid te vergroten.
Het imperfectum is de tijd die centraal staat in hoofdstuk 4. Het imperfectum duidt aan dat een stand van zaken gelijktijdig is aan een oriëntatiemoment in het verleden. In de narrative mode betekent dit meestal dat het imperfectum in volle gang is in de referentietijd: de stand van zaken heeft geen expliciet begin en eind (een situatie). Binnen de imperfecta in de narrative mode kan nog een aparte groep onderscheiden worden. Deze groep bevat imperfecta die informatie geven over de wereld van het verhaal (narrated information). Het imperfectum is de kenmerkende tijd voor de description mode, maar komt het maar heel zelden voor in de report mode.
Het imperfectum wordt ook vanuit een base in de referentietijd gebruikt. Het oriëntatiemoment ligt dan in het verleden van de referentietijd. In deze gevallen is meestal de transposed report mode gebruikt. Het imperfectum komt ook wel voor in de directing mode, maar dat ligt iets gecompliceerder. In sommige gevallen is het imperfectum inderdaad onderdeel van een passage in de directing mode. Dan wordt het imperfectum gebruikt voor situaties die al voor het begin van de scène, voor het ‘inzoomen’ als het ware, begonnen zijn en dus gelijktijdig zijn aan een moment in het verleden van de referentietijd. Vaak, echter, is het imperfectum geen onderdeel van de passage in de directing mode, maar lijkt het die mode eerder te onderbreken om informatie te geven over de wereld van het verhaal.
In hoofdstuk 4 wordt ook aandacht besteed aan specifieke gevallen van de conjunctivus van deze tijd, een onderwerp dat ik niet behandel in de hoofdstukken over het praesens en het perfectum. De conjunctivus van het imperfectum wordt in het Latijn (onder andere) gebruikt om een situatie aan te duiden die in het heden irreëel is. Enkele gevallen van de conjunctivus van het imperfectum in de Aeneis maken duidelijk dat voor ‘heden’ ook in dit geval ‘base’ gelezen moet worden. In de Aeneis wordt deze conjunctivus namelijk niet alleen gebruikt om een irreële situatie in het moment van vertellen aan te duiden, maar ook voor irreële situaties in de referentietijd. Dit gebruik van de conjunctivus van het imperfectum bewijst nogmaals dat de referentietijd beschikbaar is als base.
Hoofdstuk 4 sluit af met een vergelijking tussen perfectum en imperfectum. Deze twee tijden worden per mode nog eens tegenover elkaar gezet. Binnen de narrative mode wordt het perfectum gebruikt voor gebeurtenissen en het imperfectum voor situaties. Het verschil tussen beide tijden in deze mode zou een aspectueel verschil genoemd kunnen worden, maar het is een verschil dat ook is af te leiden van de semantische waarde van beide tijden. Bovendien is er van dit aspectuele verschil veel minder terug te vinden in de andere modes. In de report mode, bijvoorbeeld, valt een stand van zaken in een imperfectum precies binnen een duidelijk afgebakende periode in het verleden. Het imperfectum duidt in deze mode dan ook geen situatie aan, maar een afgesloten gebeurtenis die tegelijkertijd met een andere gebeurtenis plaatsvond. Vaak wordt die andere gebeurtenis aangeduid met een perfectum.
Binnen de directing mode worden imperfectum en perfectum allebei gebruikt voor standen van zaken in het verleden van de referentietijd. Het perfectum geeft aan dat deze standen van zaken volledig zijn afgerond, terwijl het imperfectum de mogelijkheid open laat dat deze standen van zaken nog doorlopen in het ‘heden’.
In sommige specifieke gevallen valt een keuze voor de ene of de andere tijd samen met een verschil in discourse mode: een imperfectum erat is meestal onderdeel van de description mode bijvoorbeeld, terwijl een perfectum fuit onderdeel is van de report mode. In de allerlaatste paragraaf van dit hoofdstuk behandel ik het onderscheid tussen het perfectum als voorgrondtijd en het imperfectum als achtergrondtijd. Het verschil tussen deze tijden kan inderdaad zo worden samengevat, maar dan gaan er wel veel nuances verloren.
Hoofdstuk 5 handelt over het plusquamperfectum, een tijd die aangeeft dat de stand van zaken vóór een punt in het verleden plaatsgevonden heeft. Deze tijd presenteert de stand van zaken dus in relatie tot een andere stand van zaken. Het plusquamperfectum komt daardoor ook maar zelden voor in de report mode, waarin de standen van zaken gepresenteerd worden in relatie tot de base. In de narrative mode komt het plusquamperfectum vaker voor, vooral in narrated information (een subcategorie van de narrative mode). In narrated information beschrijft het plusquamperfectum standen van zaken die plaatsvonden in het verre verleden van het verhaal (i.e. analepsis). In de description mode komt het plusquamperfectum ook voor, maar daarin wordt het gebruikt voor standen van zaken die net voor het beschreven moment hebben plaatsgevonden en een situatie tot resultaat hebben.
Het plusquamperfectum wordt in de directing mode gebruikt voor standen van zaken die vóór een moment in het verleden van de referentietijd hebben plaatsgevonden. Dit gebruik is geheel in overeenstemming met de semantische waarde van deze tijd, net als het gebruik van deze tijd in de andere modes.
Het futurum en het futurum exactum zijn het onderwerp van hoofdstuk 6. Deze tijden komen natuurlijk niet vaak voor in een verhaal, maar de keren dat ze voorkomen in het verhaal van de Aeneis zijn zeker een hoofdstuk waard. Het futurum wordt in de report mode gebruikt om vooruit te kijken, binnen en buiten de grenzen van het verhaal. Meestal kondigt de verteller in deze mode door middel van een futurum een volgend onderwerp aan.
Er zijn in de Aeneis twee voorspellingen die gesteld zijn in de toekomende tijd, maar tegelijkertijd een sterke gelijkenis vertonen met de narrative mode. Elk futurum lijkt in deze voorspellingen een volgend stapje in het verhaal aan te duiden.
Één passage waarin futura gebruikt worden maakt nog eens duidelijk dat de verteller van de Aeneis de referentietijd als base kan gebruiken. In deze passage loopt hij namelijk door middel van deze tijden vooruit op gebeurtenissen die veel later in zijn verhaal nog aan bod zullen komen (prolepsis).
Naast de bovengenoemde finiete werkwoordsvormen wordt in de Aeneis ook de infinitivus gebruikt om standen van zaken die in het verhaal plaatsvinden te presenteren. In hoofdstuk 7 leg ik uit wat, mijns inziens, de semantische waarde van de infinitivus is. Een infinitivus geeft het bestaan van een stand van zaken aan. Wie deze stand van zaken wanneer uitvoert wordt duidelijk gemaakt in de context, en kan niet worden afgeleid van de infinitivus zelf.
In de narrative mode wordt een infinitivus altijd vergezeld van een aanduiding van het begin van de periode waarbinnen de stand van zaken plaatsvindt. Een infinitivus wordt dus binnen de narrative mode gebruikt voor beginnende situaties. In de directing mode en de transposed description mode dient de infinitivus op allerlei manieren als ‘levendig’ alternatief voor het praesens.
Hoofdstuk 8 gaat in op de discourse modes zelf: hoe vaak en hoe de modes in de Aeneis gebruikt worden. Uit dit hoofdstuk blijkt dat door middel van de discourse modes een preciezere beschrijving van de structuur van een tekst kan worden gegeven dan de traditionele tweedeling in voorgrond en achtergrond.
De belangrijkste discourse mode in de Aeneis is de directing mode. Als we de tekst van de Aeneis in voor- en achtergrond zouden opdelen, zou deze mode de voorgrond zijn en de rest de achtergrond. Die rest is echter zeer divers. De report mode dient bijvoorbeeld om commentaar te geven op het verhaal en het verhaal te structuren. Ook de narrative mode heeft een structurerende functie omdat deze mode vaak het begin of einde van een episode markeert. De description mode, ten slotte, geeft de letterlijke achtergrond, want deze mode wordt gebruikt om het decor te schetsen waarbinnen het verhaal zich voltrekt.
Aan het eind van hoofdstuk 8 worden een paar uitzonderlijke passages besproken. In deze passages lijken de referentietijd en het moment van vertellen allebei, tegelijkertijd, in werking te zijn als base.
Het raamwerk van discourse modes en bases is op meer werken dan alleen de Aeneis van toepassing, zoals ik laat zien in hoofdstuk 9. In dit hoofdstuk ga ik in op het gebruik van discourse modes en bases in een gedeelte van Livius’ geschiedwerk Ab Urbe Condita. Net als voor Vergilius, zijn ook voor Livius de discourse modes de ‘bouwstenen’ waarmee hij zijn verhaal opbouwt. De manier waarop hij deze ‘bouwstenen’ inzet is alleen wel anders, waarschijnlijk vanwege het verschil in genre. Hoofdstuk 9 laat zien dat de discourse modes en bases een goed uitgangspunt kunnen zijn voor onderzoek naar verschillen in presentatie tussen auteurs, of zelfs naar verschillen tussen genres.


Original languageEnglish
QualificationPhD
Awarding Institution
  • Vrije Universiteit Amsterdam
Supervisors/Advisors
  • Kroon, C.H.M., Supervisor
  • van Dam, H., Co-supervisor
Award date9 Sept 2008
Publication statusPublished - 2008

Fingerprint

Dive into the research topics of 'Discourse Modes and Bases: A Study of the Use of Tenses in Vergil's Aeneid'. Together they form a unique fingerprint.

Cite this